Geschiedenis van de homeopathie
De grondlegger van de homeopathie is de Duitse arts Samuel Hahnemann (1755 – 1843). Hij heeft de basis gelegd voor deze geneeswijze bij mensen, maar de homeopathie is ook heel goed toepasbaar bij dieren.

In de homeopathie wordt een organisme, mens of dier, gezien als een geheel. Als een dier ziek is, is er sprake van een verstoring van het hele organisme en niet alleen van het lichaamsdeel met klachten. Ziekte is volgens Hahnemann een verstoring op energie niveau. Aan de buitenkant is de ziekte zichtbaar als lichamelijk en/of psychische klachten (= symptomen).

Bij de behandeling van ziekte staat in de homeopathie het similia-principe (= gelijkheidsprincipe) centraal. Dit principe houdt in dat je ziekte behandelt met een geneesmiddel dat bij een gezonde mens/dier dezelfde klachten oproept als de ziekte. Dit genezingsprincipe staat haaks op het in de reguliere geneeskunde gebruikte principe: het contrario-principe (= tegengestelde principe). Hierbij geef je een zieke juist een middel dat tegengestelde eigenschappen heeft.

Het hele dier staat centraal
Bij een klassieke homeopathische behandeling is alle informatie over uw dier van belang. Niet alleen wordt er ingegaan op de klacht van het dier, maar ook alle andere eigenschappen van het dier worden uitvoerig nagevraagd. Over de volgende gebieden kunt u vragen verwachten:

  • eten/drinken/slapen/ontlasting/plassen
  • omgang met mensen/dieren/bepaalde situaties.
  • angsten, agressie
  • lichamelijke klachten in andere delen van het lichaam

Daarnaast zijn er nog veel meer vragen te stellen om zoveel mogelijk informatie over uw dier te verzamelen. Al deze informatie heeft de dierenarts nodig om een zo compleet mogelijk plaatje te maken van het verhaal van uw dier. Daarna gaat de dierenarts op zoek naar het homeopathische middel dat het beste bij dit plaatje past.